In Tommy Wieringa’s roman „Nirwana“ gaat het behalve om een oorlogsmisdadiger om een tweeling - in het Duits zou het om „Zwillinge“ (meervoud) gaan. Hoe vertaal je de zin: „Der eine Zwilling schläft noch“ als het sowieso (grammaticaal) om een wezen draait? (In het Duits spreek je van „dem einen Elternteil“** als je het omgekeerde probleem heeft.) Een van hem / van haar / van hun / slaapt nog? Van beiden slaapt er nog een? Van die tweeling slaapt er nog een? Kun je schrijven: Lisa en Griet is een tweeling?
zie ook hen onderaan.
Nee hoor, Lisa en Griet zijn twee personen dus: Lisa en griet zijn een tweeling.
Dus ik zou het als volgt vertalen: „Lisa und Griet sind [Plural] ein Zwillingspaar [Singular].“ Het Nederlandse woord „tweeling“ is een ander concept als het Duitse „Zwillinge“?! Zouden in het Nederlands Lisa en Griet, hoewel twee individuen, grammaticaal versmelten tot één wezen namens tweeling? Zoals meerdere leden versmelten tot een „gezin / Familie“ die gezamenlijk op vacantie gaat (niet gaan)? Maar als het om twee zussen gaat, lijkt het mij heel ongepast beiden als een tweeling te beschouwen - tenzij zij een Siamees tweeling zijn…
Ook als het je niet meevalt, het maakt niet uit of het nu zussen zijn of niet.
Een ander voorbeeld: Jan een Joke zijn een stel.
Er is Jan en er is Joke, dus: ze zijn een stel.
Beter klinkt: De tweelingzussen Iris en Fleur zijn jarig.